> Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet / WBV 2007/11 / besluit / aanvraag 22-09-08 lees verder >
> Twee weken termijn met terugwerkende kracht.
lees verder >
> Minder dan twee weken buiten Nederland geen tegenwerping IND.
De IND heeft toegegeven dat ELK verblijf van minder dan twee weken in het buitenland, geldt als 'niet intentie voor vertrek uit NL' en dus geen contra-indicatie voor het pardon meer mag zijn. lees verder >
> Mogelijkheid tot procederen
zaaknummer AWB 08/ 12952, AWB 08 / 2951
Louwersen/van haren lees verder >
> Uitspraak kort verblijf Frankrijk
procedurenummer 08 I 9433 BEPTDN RE20 SE57
lees verder >
> Ondanks Dublin toch pardon
Minder dan 14 dagen in Duitsland/ België geen probleem
rechtspraak.nl Rechtbank Middelburg , AWB 08/1678 8.2.08 (ondanks dublin toch pardon) lees verder >
> Mogelijkheid tot procederen tegen niet verlenen pardon vergunning
- Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter Haarlem in twee uitspraken (27 maart jl.; AWB 08/2952 en 3 april jl. AWB 08/2157) kan een vreemdeling een bezwaarschrift indienen tegen een (mondelinge) weigering om een aanbod te doen op grond van de pardonregeling 2007. lees verder >
> Geen rechtmatig verblijf tijdens pardon
vluchtweb week 12, Rb Almelo, 08/4840, 25.2.08
lees verder >
>Strafbare feiten minderjarigen ongewenstverklaring
Voorzieningenrechter 's-Gravenhage AWB 07/18952 BEPTDN
lees verder >
________________________________________________
Minder dan twee weken buiten Nederland geen tegenwerping IND
migratieweb, VK Rb Dordrecht AWB 08/27217 24.7.08
Verweerder liet aan eisers gemachtigde weten dat élk verblijf in het buitenland onder de twee weken geen contra-indicatie meer was (terwijl dit voorheen alleen gold voor België en Duitsland) en de bewaring werd opgeheven, waarmee de procedure zich beperkt tot de schadevergoeding.
De brief van de IND
Bij brief van 27 juni 2008 heeft verweerder VluchtelingenWerk Nederland desgevraagd nader geïnformeerd over de toepassing van de contra-indicatie ‘onafgebroken verblijf’ bij de uitvoering van de Regeling ter Afwikkeling van de Nalatenschap van de Oude Vreemdelingenwet.
Gedurende de uitvoering van de Regeling is zoveel mogelijk het uitgangspunt gehanteerd dat ingeval van kortstondig verblijf buiten Nederland, zonder nadere indicatie in het IND-dossier omtrent de beweegredenen, wordt aangenomen dat de vreemdeling niet de intentie had zich in dat land te vestigen. In deze gevallen is, behoudende andere contra-indicaties, aan de vreemdeling een aanbod gedaan voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling.
In gevallen waarin het verblijf in het buitenland langer dan twee weken heeft geduurd, wordt aangenomen dat de vreemdeling de intentie had om zich in dat land te vestigen.
Lees uittreksel brief IND
________________________________________________
Twee weken termijn met terugwerkende kracht.
VK Rb Dordrecht, AWB 08/26217 6.8.08
Ter zitting van 24 juli heeft verweerder verklaard dat een verblijf van een week in de VK aanvankelijk in de weg stond aan verblijf i.h.k.v. de Pardonregeling maar dat, (de toepassing van) het beleid later is versoepeld in die zin dat een verblijf in het VK van twee weken hieraan niet langer in de weg staat. Verweerder heeft desgevraagd bij faxbericht van 28 juli 2008, onder verwijzing naar een brief van 27 juni 2008 van verweerder aan VWN, zijn standpunt bevestigd waarbij ook wordt vermeld dat er geen sprake is van een beleidswijziging. De rechtbank beschouwt hetgeen is vermeld in het faxbericht als het definitieve standpunt van verweerder waarbij is teruggekomen op de eerdere verklaring van 24 juli 2008. Verweerder heeft de belangenafweging die tot opheffing van de bewaring heeft geleid m.i.v. 23 juli 2008, ook moeten en kunnen maken op 13 juni. Bewaring onrechtmatig m.i.v. 13 juni 2008. Beroep gegrond; toekenning schadevergoeding.
_________________________________________________
Ondanks Dublin toch pardon
Minder dan 14 dagen in Duitsland/ België geen probleem
rechtspraak.nl Rechtbank Middelburg , AWB 08/1678 8.2.08 (ondanks dublin toch pardon)
De in WBV 2007/11 opgenomen pardonregeling stelt onder 5.2, aanhef en onder b, als voorwaarde voor vergunningverlening dat de vreemdeling sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. De voorzieningenrechter overweegt dat niet valt uit te sluiten dat, anders dan de stellige formulering van het vereiste van ononderbroken verblijf in Nederland zou doen vermoeden, verzoekers korte verblijf in Duitsland hem niet kan worden tegengeworpen. Uit de naar aanleiding van het coalitieakkoord van 7 februari 2007 (TK 2006-2007, 30891, nr. 4, blz. 35), dat aan de basis ligt van de pardonregeling, door verweerder gehanteerde gedragslijn inzake de inbewaringstelling van vreemdelingen, moet namelijk worden afgeleid dat verblijf buiten Nederland niet wordt tegengeworpen indien het een kort bezoek aan het buitenland betreft. Daar komt bij dat verzoeker in bezwaar een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan en daarbij heeft gewezen op concrete andere gevallen, waarvan hij de justitienummers heeft genoemd. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het niet om gelijke gevallen gaat, nu er in die andere zaken geen sprake was van een Dublinclaim en er in die gevallen duidelijk sprake was van schrijnendheid. Daarover overweegt de voorzieningenrechter dat in een van de door verzoeker overgelegde stukken – een bezwaarschrift van 18 oktober 2007 – in het kader van het gelijkheidsbeginsel melding wordt gemaakt van een andere zaak waarin een vergunning ingevolge de pardonregeling was verleend, ondanks dat daarin sprake was van een Dublinclaim.
over ontvankelijkheid: De brief van 11 januari 2008 heeft als strekking dat het eerder gedane aanbod om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de pardonregeling, komt te vervallen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze schriftelijke uiting niet anders kan worden opgevat dan als een beslissing dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De
beslissing is gericht op rechtsgevolg. Om die reden is deze brief aan te merken als een besluit dat voor bezwaar vatbaar is.
Over de inhoud overweegt de rechter op twee gronden dat niet valt uit te sluiten dat verzoekers korte verblijf in Duitsland ondanks de stellige formulering in WBV 2007/11 hem niet kan worden tegengeworpen.
- Uit de gedragslijn voor de inbewaringstelling van vreemdelingen die verweerder hanteert, moet worden afgeleid dat verblijf buiten Nederland niet wordt tegengeworpen indien het een kort bezoek aan het buitenland betreft. Deze gedragslijn wordt gehanteerd naar aanleiding van het coalitieakkoord van 7 februari 2007 (TK 2006-2007, 30891, nr. 4, blz. 35), dat aan de basis ligt van de pardonregeling.
- Verzoeker heeft met een beroep op het gelijkheidsbeginsel gewezen op concrete andere gevallen, waarin verblijf buiten Nederland niet werd tegengeworpen. Anders dan verweerder stelde, werd in één van deze gevallen een pardonvergunning verleend, ondanks dat daarin sprake was van een Dublinclaim.
_________________________________________________
Mogelijkheid tot procederen tegen niet verlenen pardon vergunning
- Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter Haarlem in twee uitspraken (27 maart jl.; AWB 08/2952 en 3 april jl. AWB 08/2157) kan een vreemdeling een bezwaarschrift indienen tegen een (mondelinge) weigering om een aanbod te doen op grond van de pardonregeling 2007. De uitspraken vertonen onderling veel gelijkenis. De rechters beschouwen een dergelijke weigering als een handeling in de zin van art. 72 lid 3 Vw. Er is sprake van een rechtens relevante handeling mede omdat bij een aanvraag van deze verblijfsvergunning geen vrijstelling geldt van het leges en mvv-vereiste. In de onderhavige zaken had de Staatssecretaris van Justitie een bezwaarschrift tegen een weigering om een pardonvergunning te verlenen niet ontvankelijk verklaard.
vluchtweb week 13, Rb Haarlem, 08/2952, 27.3.08
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de ambtshalve weigering om hem een Pardonaanbod te doen. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, waartegen verzoeker beroep in heeft gesteld. Verweerder stelt dat er geheel intern is getoetst of er een aanbod in de rede lag met als uitkomst dat geen ambtshalve aanbod zal worden gedaan. Een volstrekt interne afweging is geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb of een handeling in de zin van art. 72 lid 3 Vw, omdat niet beoogd is enig rechtsgevolg in het leven te roepen. Verweerder stelt dat niet is beoogd om de weg naar bestuursrechtelijke toetsing te blokkeren en dat verzoeker een aanvraag voor een vbt-regulier kan indienen. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ambtshalve weigering geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb is, aangezien geen sprake is van een rechtshandeling als bedoeld in die bepaling. De ambtshalve weigering is niet aan te merken als een handeling gericht op rechtsgevolg. In de verhouding tussen verweerder en verzoeker verandert immers niets. De (mondelinge) weigering is wel aan te merken als een handeling in de zin van art. 72 lid 3 Vw. De rechter overweegt dat voor een rechtsingang op grond van art. 72 lid Vw geen (beoogd) rechtsgevolg is vereist en dat hier sprake is van een rechtens relevante handeling. Met de weigering kan verzoeker immers geen aanspraak maken op een vergunning met vrijstelling van het leges- en mvv-vereiste. De rechter overweegt dat verzoeker niet tegen die weigering in rechte kan opkomen door het doen van een aanvraag. In die procedure gelden immers geen vrijstellingen. Het verweer dat een beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan wordt niet gevolgd. Dit slaagt slechts als sprake is van een zeer bijzonder geval, waarin het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste naar het oordeel van verweerder een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Niet valt in te zien dat verweerder zal oordelen dat daarvan sprake is. Hierdoor is de kans op een inhoudelijke beoordeling tegen de weigering van het aanbod nagenoeg nihil. Procederen bij de feitelijke uitzetting is evenmin mogelijk, nu de rechter zich dan een oordeel zal vormen over de rechtmatigheid van de uitzetting en niet over de rechtmatigheid van de weigering om een aanbod te doen. De weigering is ook niet aan te merken als een voorbereidingshandeling als bedoeld in art. 6:3 Awb. Anders dan bij het doen van een aanbod op grond van WBV 2007/11 wordt de weigering niet gevolgd door een besluit. De weigering is de laatste handeling in het kader van de regeling. Verweerder heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond.
Vreemdelingenkamer Rechtbank Assen d.d. 18 april 2008
Dit is een uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening behorend bij het beroep tegen de weigering van de IND om een aanbod te doen op grond van de pardonregeling. De rechtbank geeft in deze uitspraak aan dat het voor haar de vraag is of de weigering om iemand een aan pardonaanbod te doen, een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Omdat deze vraag nader onderzoek behoeft, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
De advocaat (mw mr N.B.Swart - Rechtshulp Noord Advocaten) van de asielzoeker voert in het verzoekschrift aan dat de Staatssecretaris met ingang van 22 febr. 2007 een vaste gedragslijn hanteert in verband met de op dat moment nog vast te stellen pardonregeling. De rechtsgevolgen van deze gedragslijn zijn dat vreemdelingen die voldoen aan bepaalde voorwaarden niet in bewaring worden gesteld of in bewaring worden gehouden en niet langer worden uitgezet. De gedragslijn laat deze rechtsgevolgen ingaan voor de groep vreemdelingen die voor 1 april 2001 een asielaanvraag heeft ingediend, t.a.v. wie o.g.v. de openbare orde geen contra-indicaties zijn en die niet in het buitenland heeft verbleven. Deze gedragslijn betekende dat de rechtsgevolgen die voortvloeien uit de afwijzing van een eerdere asielaanvraag (en/of andere reguliere aanvragen) niet meer van kracht waren. De advocaat verwijst in het verzoekschrift naar jurisprudentie waaruit dit ook blijkt .
Indien de IND vervolgens bepaald dat iemand geen pardonaanbod krijgt, dan heeft dat voor diegene dan ook wel degelijk rechtsgevolgen. Het dossier wordt immers overgedragen aan DT&V en de betreffende asielzoeker dient onmiddellijk Nederland te verlaten. Ook is het wederom mogelijk de betreffende asielzoeker in bewaring te stellen. Kortom het feit dat iemand niet in aanmerking komt voor het pardon heeft wel degelijk rechtsgevolgen. Nu de weigering om iemand een pardonaanbod te doen, bepaalde rechtsgevolgen heeft, kan deze weigering dus wel degelijk worden opgevat als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb (waartegen rechtsmiddelen aangewend kunnen worden).
________________________________________________
Geen rechtmatig verblijf tijdens pardon
vluchtweb week 12, Rb Almelo, 08/4840, 25.2.08
Eiser is in bewaring gesteld en verzoekt de bewaring op te heffen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser betoogt dat hij op grond van zijn aanvraag in het kader van de Pardonregeling rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Afdeling (2 december 2004, LJN: AR8107) volgt dat eerst sprake is van een aanvraag als bedoeld in art. 14 Vw indien deze wordt ingediend op een wijze als neergelegd in art. 3.102 Vb jo. art. 3.26 Vv. De brief van eiser kan niet worden beschouwd als een aanvraag als bedoeld in voormelde artikelen. Verweerder heeft de brief derhalve terecht aangemerkt als een onvolledige aanvraag. Eiser is later door verweerder in de gelegenheid gesteld om alsnog aan de voorwaarden te voldoen. Nu nog geen sprake is van een (volledige) aanvraag heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen rechtmatig verblijf op grond van art. 8 sub f Vw. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrees gerechtvaardigd dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken, nu hij niet beschikt over een identiteitspapier, zich niet heeft gehouden aan de vertrektermijn en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Beroep ongegrond. NB: Hoger beroep ingesteld door eiser.
|