fbpx

30 januari 2019

Djamila
1965, Algerije
In 1998 gevlucht.
Dankzij generaal pardon
eind 2007 recht op verblijf.

Djamila: Binnen: ‘Tien jaar is lang, als je niet kunt genieten met je kinderen en alleen maar stress hebt’.

Uit het ASKV boek ‘Binnen, over mensen die aanklopten bij het ASKV‘: Bestellen via deze link

Met vier kleine kinderen, van 2, 3, 6 en 9 ontvluchtten Djamila en haar man eind jaren negentig het Algerijns regime. Uiteindelijk kwamen ze in Nederland terecht, in de hoop hier een leven in vrijheid te vinden. Maar die vrijheid kregen ze niet cadeau.

Ze vroegen asiel aan in Haarlem, waar ze drie maanden in een onderzoekcentrum verbleven. Ze werden naar het azc in Kampen gestuurd, en na ruim twee  maanden ver- wezen naar het uitzetcentrum in Ter Apel. Hun asielverhaal werd niet gehoord, omdat ze via Duitsland waren gereisd en volgens het Schengenakkoord moesten ze daar dus asiel aanvragen. Maar Duitsland werkte niet mee, dus na zes maanden werden ze doorgesluisd naar het azc in Hooghalen. Daar deden ze een officiële aanvraag voor verblijf. En begon de lange tocht van een jaar azc in Kollum, ‘we leefden in campers op een vakantiepark en de kinderen kregen daar astma,’ naar een flat van het azc in Alkmaar, totdat ze door het coa [Centraal Orgaan opvang asielzoekers] een woning in Montfoort kregen toegewezen.

In die tijd worden Djamila en dochter Kaouther, dan tien jaar oud, geportretteerd in het kader van het film- en televisieproject 26000 Gezichten waarin een gezicht wordt gegeven aan mensen die al jaren en jaren wachten op de vraag of ze hier mogen leven. Moeder vertelt een zorgelijk verhaal over de oudste dochter, die na haar eindexamen middelbare school toch ook recht heeft op een baan en haar rijbewijs mag halen, over de twee zonen die zich niet op een goede toekomst kunnen voorbereiden, en over haar man die van het nietsdoen en wachten depressief is geworden. De kleine Kaouther luistert met betraande ogen; ze doet dapper haar best kind te zijn, maar wordt regelmatig gekweld door angsten en aanvallen van hoofdpijn.

‘Na de eerste afwijzing hadden we bezwaar gemaakt. Ruim drie jaar kregen we geen enkel antwoord van de ind. Daarom zouden we eigenlijk automatisch een toewijzing moeten krijgen, maar toen werd een spel gespeeld met de datum van indiening en was de termijn van antwoord dus nog níét verlopen.’

Vervolgens schreven  ze een zogeheten  Nawijnbrief, dus met een persoonlijke vraag aan de minister  om toelating  op humanitaire gronden. Maar  het antwoord van toenmalig bewindvoerster Verdonk was negatief. ‘Er zou geen handtekening onder die brief staan.’

Ook een brief gericht aan de koningin werd formeel afwerend beantwoord. ‘Maar gelukkig ontdekte onze toenmalige advocaat dat Ibrahim, de jongste, die indertijd vijf was, wel degelijk zijn naam onder de brief aan mevrouw Verdonk had gezet. Hij vocht de eerdere afwijzing aan en toen werd de Nawijnprocedure alsnog in werking gezet.’

Die advocaat had de familie via het   ASKV. Waar ze in 2004 via een Algerijnse kennis ten einde raad bij terechtgekomen waren.

‘Toen we de eerste keer uitgeprocedeerd waren, werd ons gezegd dat ’t klaar was, dat ’t kansloos was nog verder te procederen. We konden maar beter inpakken. Algerijnen liepen geen enkel gevaar in hun land, volgens het ministerie, dus die moesten terug. Ook Vluchtelingenwerk zei dat we geen enkele kans maakten op verblijf. We zouden wel de kinderen in Nederland kunnen laten. We konden geen kant op, want een inreisvisum voor Algerije kregen we ook niet.

Het   ASKV was onze laatste kans, ik zag het als een muur met een klein gaatje waar licht doorheen kwam, en daar wilde ik heen, naar dat licht.

Ik heb mijn dossier bij de advocaat opgehaald, ben naar Amsterdam gereisd en aan Alice heb ik toen alles verteld. Zij zorgde voor een andere advocaat. Ik meldde me voor de Nacht van de Vervanging. Maar de begeleidster van Vluchtelingenwerk vond dat mijn man en ik maar moesten onderduiken. “Wij nemen de kinderen zelf wel, want die zitten nog op school, dan duiken jullie maar onder.” Maar daar ben ik verder niet op in gegaan.’

Niet dat het met de procedure sneller ging. Eerst moesten ze bij de rechtbank in Den Bosch hun Nawijnbrief toelichten. ‘Zelfs de kleine Ibrahim moest een pak aan.’ De zitting verliep positief, dus de druk werd wel minder. Vervolgens kwam na twee maanden de toestemming dat de procedure voor verblijf om humanitaire redenen gestart kon worden. En daarna begon opnieuw het lange, jarenlange wachten. Zo lang dat de advocaat het gezin aanmeldde voor het generaal pardon dat in 2007 in werking trad. Tenslotte waren ze vóór 2001 aangekomen en zonder onderbreking in Nederland gebleven. De kinderen zaten op school, Djamila deed vrijwilligerswerk, de familie was geliefd in hun woonplaats.

‘Het lot heeft ons bij Alice van het ASKV gebracht. Door haar hebben we het licht gezien. En toen het generaal pardon werd uitgesproken, konden we eindelijk echt gaan leven. Nu met onze ogen open. Het is wel lang hoor, als je tien jaar niet vrij kunt leven, je kinderen niet kunt geven waar ook zij recht op hebben, als je samen niet kunt genieten. Maar gelukkig zijn al mijn kinderen bezig met hun ontwikkeling en doen ze een opleiding waar ze zelf voor hebben gekozen. Met mij en met mijn man gaat het weer goed. We wonen in een fijn nieuw huis. Toen in februari, nadat we vijf jaar een verblijfsvergunning hadden, mijn man, ik en de twee oudsten het inburgeringexamen hadden gehaald, hebben we de vlag uitgehangen.’

TEKST: Katrien de Klein
FOTO:  Sander Troelstra

Geplaatst in:

Nieuws

Sorry, reacties op dit item zijn gesloten.