13 december 2019

Vira
1971, Oezbekistan
In 2001 met zoon (1998)  
gevlucht naar Amsterdam.
Wonen sinds 2010 in gemeentelijke woning.

“Ze hebben me geholpen te leven, ook financieel, ook toen alles uitzichtloos leek.”

Uit het ASKV boek ‘Binnen, over mensen die aanklopten bij het ASKV‘: Bestellen via deze link

Soms brengt ongeluk steeds weer ongeluk voort, in een onverstoorbare cirkelgang.
‘Mijn moeder heeft mij goed opgevoed,’ vertelt Vira, ‘maar omdat mijn familie een slechte reputatie had, was het moeilijk voor mij een goede echtgenoot te vinden. Ik kan koken, ik rook niet, ik drink niet. Ik heb geleerd voor goudsmid en werkte in Tasjkent in een juwelenfabriek. Maar goede mannen wilden niets met mij te maken hebben. Ze keken niet naar mij, maar naar mijn familie. Veel familieleden waren alcoholist en in dat grote huis waar iedereen bij elkaar woonde liepen slechte mensen rond.’

Vira werd geboren in Oezbekistan, in 1971. Als kind was ze meestal onder de tafel te vinden, weggekropen voor de ruzies en schandalen die zich om haar heen afspeelden. Op school was ze een outcast, altijd bang. Toen ze tien was, maakte haar vader een eind aan zijn leven. Zo jong als ze was, werd Vira zelf ook regelmatig bekropen door de gedachte aan zelfmoord, want wat had het leven haar eigenlijk te bieden? De jongen met wie ze wilde trouwen verongelukte, vlak voor de bruiloft. Toen was de weg vrij voor een man die al een tijd achter haar aan zat. ‘Ik kon me niet tegen het huwelijk verzetten, er was geen vader, geen broer, geen opa om me te beschermen. Die man mishandelde dieren, dronk en gebruikte drugs. Hij sloeg mijn moeder tot bloedens toe en bezorgde mij brandwonden. Zelfs Avron, onze zoon die in 1998 werd geboren, moest het ontgelden. Toen hij dreigde Avron weg te halen en hem op te voeden naar zijn eigen ideeën, heb ik lang nagedacht en ten slotte besloten te vluchten. Als een blinde kat, maakte niet uit waarheen, als ik maar weg kon.’ Een neef hielp met de papieren en praktische details van de vlucht. Haar moeder verkocht haar huis, gaf Vira een deel van het geld en vertrok zelf naar een zus in Rusland.

In 2001 vlogen Vira en de driejarige Avron naar Moskou. Daar stapten ze in een bus die naar Nederland reed. ‘Ik voelde opluchting, grote opluchting. Ik had mijn kind beschermd. We waren weg uit het land waar ik zelfmoord wilde plegen omdat ik er niet meer kon leven.’ Haar  asielverzoek werd meteen  afgewezen. ‘Uw verhaal is niet goed,’ luidde het vonnis.

Tussen 2001 en 2004 zwierven moeder en zoon door Amsterdam. Korte tijd woonden ze bij een Turkse man. Hij wilde dat Vira een hoofddoek ging dragen. Toen handschoenen. Toen een boerka. Ze deed het braaf, ze had geen keus. De man maakte domme keuzes en verloor zijn huis. Daarna volgde het ene logeeradres het andere op. Soms sliepen ze op straat, soms in een auto. Een week lang zaten ze opgesloten in een huis met vier pakjes afbakbroodjes als voedsel.

In 2004 leerde Vira de Steungroep Vrouwen Zonder Verblijfsvergunning en het ASKV kennen. De Steungroep kraakte voor hen een huis, Avron kon voor het eerst legaal naar school. Met hulp van het  ASKV vroeg Vira een verblijfsvergunning aan. De advocaat luisterde goed naar haar verhaal en vond kansrijke aangrijpingspunten – Vira weet niet welke. Ze weet alleen dat ze niet terug kan naar Oezbekistan. ‘Daar kun je schreeuwen tot het bloed in je neus staat, niemand hoort je. Daar ben ik een verrader die de reputatie van het land  heeft beschadigd. Hier  is tenminste een voedselbank, hier is het ASKV.’ Na lang procederen gaf het IND een tijdelijke verblijfsvergunning voor 2009 – die, vanwege het moment van aanvraag, had moeten gelden vanaf 2008. Zo’n jaar maakt veel uit voor voortgezet verblijf, of voor een kinderpardon. De advocaat tekende dus beroep aan. Alles gaat erg langzaam; over voortgezet verblijf is nog geen beslissing gevallen.

Sinds 2010 wonen Vira en Avron  in een gemeentelijke  woning. ‘Een eigen hoekje, een veilig gevoel dat zelfs je allerbeste vrienden niet kunnen geven. Met deze muren verdedig ik me tegen het verdriet. Maar over de toekomst durf ik niet te denken. Ik voel nog steeds de hand van de IND om mijn nek. Ik ben nog een immigrant, niet een mens met een toekomst. Ik ben opnieuw geboren, maar misschien opnieuw voor het ongeluk. Pas als ik definitief mag blijven, kan ik gaan bouwen.’

Het traumatische verleden en de huidige onzekerheid hebben krassen gezet in het leven van Vira en Avron. Ze krijgen hulp van Altra, een organisatie voor kinderen in moeilijke gezinssituaties, en zijn beiden onder behandeling bij Centrum ’45. Vira was een maand opgenomen in een kliniek. ‘Centrum ’45 helpt om krachtig te blijven,’ zegt ze. ‘En ik ga vaak naar het ASKV. Praten met mijn contactpersoon, vragen om advies. Het is fijn dat het altijd dezelfde persoon is, dat ik niet steeds opnieuw mijn verhaal moet vertellen. Het ASKV organiseert ook leuke dingen. Iedere maand eetcafé, logeren bij een bekende Nederlander, picknick in het Vondelpark. Ze hebben me geholpen te leven, ook financieel, ook toen alles uitzichtloos leek.’ Ze heeft hen onlangs bij zich thuis uitgenodigd, om hen te bedanken.

Avron komt binnen, fluitend. Hij heeft vanmorgen met school geschaatst op de Jaap Edenbaan. ‘Hij is lief!’ zegt Vira. Ze geeft hem een kop soep. Avron spreekt goed Nederlands, Engels en Russisch, en leert nu Duits op school. Hij zit op het Mediacollege en wil misschien iets gaan doen met games-design; gamen vindt hij heerlijk.

Als hij hoort waarover we praten verdwijnt hij met een koptelefoon op achter de computer. ‘Hij luistert niet graag naar die akelige verhalen,’ zegt Vira. Gelijk heeft-ie. Het wordt tijd dat de cirkel een keer wordt doorbroken.

TEKST: Liesbeth Sluiter
FOTO: Ben Krewinkel

U kunt het boek bestellen via deze link

Geplaatst in:

Nieuws

Sorry, reacties op dit item zijn gesloten.